Voordracht Dees Linders

Het bergingsbedrijf Mammoet, bergers van de Russische Koersk, verslepen i.s.m. het bedrijf VOORBIJ de muur van Moore naar zijn rustplaats. Een actuele gebeurtenis verbindt zich aan een wereldberoemd kunstwerk dat meer dan 50 jaar op dezelfde plek stond en de mensen en de media stromen toe. Op het moment dat de muur voor vier jaar ondergronds gaat zien velen dit werk voor het eerst van dichtbij. Men betreurt dat wat men te zien krijgt niet eerder zag. Pas nu, bij het afscheid, ziet men de kleurrijkheid van de bakstenen en het patroon van de voegen – de lichte deining van de muur– de kalme tragiek van de voorstelling – het amalgaam van de wederopbouwtaal. Dit deel van het Bouwcentrum, ooit model van een fascinerend wederopbouwpand waar Wall Relief No. 1 deel van was, is reeds tot gort geslagen. Op de achtergrond ziet u de wolkenkrabbers van het Weena en de bouw van het nieuwe CS.
Er was eens een reusachtige Collectie internationale kunstwerken in de stad Rotterdam die zijns gelijke niet kende in de westerse wereld. De stad verkocht haar aan de stad Amsterdam die dit gretig aanvaardde. Zo kon de stad Rotterdam de bouwputten, de marathons, de formule 1 races, het carnaval, de dance parade, de sportstad behouden als logo van Rotterdam. Het paste hen zoveel beter.
SIR beleeft met het verslepen van de Moore naar de opslag haar laatste uren. Dit is wat pathetisch want we weten niet hoe het af gaat lopen; des te gevaarlijker dus – een sluipmoord op de topcollectie!, met aan de basis werelderfgoed als Jan Gat van Zadkine, de muur van Moore, Het DING van Naum Gabo, Erasmus van Hendrick de Keijser; reizigers in de 17de en 18de eeuw die de stad aandeden zouden nooit en te nimmer vergeten even langs te gaan.
Hoe is het mogelijk dat Rotterdam, een kunst-onverschillige stad, zo’n reuzencollectie moderne en hedendaagse kunst heeft? Of beter misschien: hoe is het mogelijk dat zo’n reuzen-straat-collectie , 24 uur per dag te zien bij nacht en ontij, zo’n stad om zich heen heeft ontwikkeld? Hoe is het mogelijk dat het stadsbestuur als eigenaar van deze collectie hier niet langer voor verantwoordelijk wil zijn?
Een paar feiten: van de € 600.000,- die SIR gemiddeld jaarlijks ontving van BenW blijft in het gunstigste geval
€ 200.000,- per jaar over. In het slechtste geval (als we zelf de verzekeringen en het onderhoud moeten opbrengen) beginnen we per januari 2014 op min nul €. Daarbij nam het stadsbestuur een democratisch besluit; SIR – de collectie, het bureau plus de adviescommissie komt onder het Centrum Beeldende Kunst (CBK). De collega’s van de afdeling kunst en openbare ruimte van het CBK (BKOR) zorgen voor zo’n 600 andere kunstwerken die met name door Rotterdamse kunstenaars zijn gemaakt; een rijke Rotterdamse historie die aanvangt bij de wederopbouw. We zetten we in op vergroting van slagkracht gaan de dreigende nivellering te lijf.
Daarnaast zijn er de ‘gebruikelijke dilemma’s van de kunst en de publieke ruimte. Hoogste tijd dus voor het schouwen van deze vraagstukken. Uw kennis en denkvermogen brengen we bij elkaar in de SCHOUWPLOEG om de meest prangende vragen van de kunst en publieke ruimte onder de loep te nemen, met als model voorlopig Rotterdam en vandaag met name SIR. In de redactie André Dekker en Piet de Jonge, hier aanwezig.
SIR: een korte historie. Mijn naam is Dees Linders , sinds ruim zes jaar samen met de adviescommissie en mijn team verantwoordelijk voor beheer en ontwikkeling van de Internationale Beelden Collectie van Rotterdam. De IBC doopten we snel om tot SIR – in kapitalen zodat de stad zou beseffen dat ze een kapitale schat in huis hebben. Op dit moment bestaat de Collectie uit 51 stukken die vooral in de binnenstad staan. Sinds vier jaar opereert SIR in de gehele stad, en wel op de hoofdlijnen van de stad. In 1945was er nog geen beeld te zien in de publieke ruimte – tien jaar later was Nederland ondergesneeuwd met sculpturen waaronder vooral veel obligate herinneringszuilen – en met activistische beeldhouwers die vóór of tegen de traditionalisten of de modernen vochten. Voor de kunst van de stad Rotterdam pakte dit bijzonder uit: uit het puin te midden waarvan architecten en kunstenaars werkten, verrezen eigen aardige symbolen en grootse gebaren. Breuer, Elias, van Ravensteyn, Zadkine, Moore, Gabo, Boks, Maaskant – ze liepen allemaal rond in de stad die jaren. De ondernemerswereld en met name de directeur van de Bijenkorf en de directeur van het Bouwcentrum waren in de jaren vijftig belangrijke spelers in het politieke en culturele veld van Rotterdam, verbonden aan museumdirecteuren en verzamelaars en aan het stadsbestuur. Zij hadden het inzicht om sterke symbolen te laten ontwikkelen en bovendien het gezag om die symbolen (van hogerhand) geldige betekenis te geven voor de bewoners: collectieve troost, collectief leed, collectief mouwen opstropen. Zo verwierf Rotterdam drie fascinerende kunstwerken waarop de stad in de loop der jaren deze bijzondere Collectie kon ontwikkelen. In de jaren zestig – onder de indruk van dit staaltje moderniteit van de ondernemers – besloot het stadsbestuur hier beleid op te maken: Het fonds Stadsverfraaiing werd opgericht. Vanaf dat moment werden er om de zoveel jaar adviescommissies ingericht met als taak de immer innovatieve stad met gedurfde kunstwerken te schragen. De stand van zaken nu: het stadsbestuur geeft de verantwoordelijkheid uit handen. Maar we hebben ook iets gewonnen: SIR is geen adviescommissie meer die verschijnt en verdwijnt, maar een organisatie (piepklein) die behalve beheer en ontwikkeling van nieuwe werken en programma’s de kennisoverdracht tot serieuze taak op zich nam. De afgelopen 5 jaar is er alles aangedaan om de grootse maar onbekende collectie weer tot leven te brengen. Dit vergt continue aandacht en zorg.
De fraaie twee koppigheid van de stad
Naast de 51 stukken van SIR heeft het Centrum Beelden Kunst het beheer over nog eens 600 werken in de openbare ruimte; de (BKOR) Beeldende Kunst Openbare Ruimte waar mijn collega Siebe Thissen sinds twaalf jaar de leiding heeft en dat een platform is voor Rotterdamse kunstenaars en voor wensen vanuit de bewoners, deelgemeentes, woningbouwverenigingen. Deze tweekoppigheid maakte mijns inziens het interessante beleid van Rotterdam mogelijk. De twee legitimeren elkaar; de zorg voor kunst in de wijken op vraag van bewoners en expliciet voor en met de bewoners, naast de projecten met internationaal gerenommeerde kunstenaars op de hoofdlijnen die op initiatief van SIR en Stadsontwikkeling ontwikkeld worden, niet als antwoord op een vraag. SIR en BKOR hebben elk een eigen werkwijze; een andere methodiek, een andere geldstroom, een andere deskundigheid, een ander publiek, en vergen een andersoortige kennisoverdracht. De ene pool legitimeert de andere; het gaat nadrukkelijk niet om of – of , maar om toegankelijke naast complexe werken, schuilplaatsen, vindplaatsen en entertainment.
Kunstwerken zijn onzichtbaar - Vervreemding en treurnis hoort niet op straat.
Terug naar de dilemma’s inherent aan kunst en de publieke ruimte die we met u hier op tafel leggen. Wat mij betreft zijn deze samen te vatten onder de stellingnames ‘kunstwerken zijn onzichtbaar’ en ‘vervreemding hoort niet op straat’.
Onzichtbare werken: Krap vijf jaar probeer je i.o.v. de stad op de borstkas van de stad te roffelen – zo vaak en zo luid dat het gênant is. Eindelijk is er dan zoveel trilling veroorzaakt dat de stad begint te echoën – en dan is er plotsklaps een vormfout – tijdgebrek, een kwade genius? – de kunst en publieke ruimte blijkt vergeten in de rapporten. “Maar” zegt men “de werken zijn er toch gewoon?”. Is dat zo?
Enkele jaren geen nieuwe kunstwerken ontwikkelen vind ik een goed idee, gedacht vanuit de urgentie om tijd te nemen voor onderzoek en kennisoverdracht van kunst en de publieke ruimte. Een essentieel deel van het onderhoud is kennisoverdracht. De Collectie die eindelijk weer tot leven kwam moet gevoed blijven worden met aandacht. Zonder verleiders en geleiders is er geen topcollectie, en zijn er geen kunstwerken. Hoe erg is dat? De meeste kunstwerken ziet men niet. Santa wel, want op Santa kun je zitten en Santa is fotogeniek. Joep van Lieshout’s Cascade ook, want je kan er op zitten en het ding is daarmee fotogeniek. De Reus van Rotterdam van Herman Lamers ook: je kan naast de reus gaan zitten in zijn kamertje en jezelf met de reus portretteren. Fascinerende verschijnselen van de kunst en de publieke ruimte.
Daarbij nog wat: de rekkelijkheid van betekenis van de kunst in de publieke ruimte. Alles kan alles betekenen. De betekenis lijkt geheel losgekoppeld van wat er te zien is. Bijvoorbeeld; er staat een grote zwarte Kerstman met attributen die veel te zwaar zijn voor hem. Hij torst ballast, hij torst het lijden van de hedendaagse mens. Santa is een model van depressie en in die zin van reuzenbelang. Wat velen zien is een rode lachende Kerstman. Cascade van Joep van Lieshout; een aandachtszuil opgebouwd van leegstromende olievaten en van olie doordrenkte stervende figuren. Men ziet dansende poppetjes. De enkeling, die een omweg maakt om deze werken te vermijden, de enkeling die de luiken dichthoudt om de treurende Santa niet te zien, zijn degenen die dichtbij de intentie van het werk komen.
Dit brengt ons bij de vervreemding: vervreemding en ontheemding zijn de eigenschappen van de moderne en de hedendaagse kunst en eigen aan de hedendaagse mens. Geen ontsnappen mogelijk. Maar wie houdt ervan dit op straat tegen te komen terwijl je daar met je boodschappentas loopt? De deur naar een andere wereld; degenen die het spel van de kunst met de paplepel ingegoten kregen weten dat je meestal wel weer terugkomt en geven veel om die duik in een ander perspectief.
Maar waarom vervreemding of treurigheid op straat?
SLOT: Hoe verder? Moeten we verder? Hoeveel kunstwerken kan een stad verdragen? Als we eerlijk pogen na te denken; is publieke urgentie voor de kunst mogelijk? Is het noodzakelijk om Picasso, Elmgreen en Dragset, Franz West te zien? Hoe krijg je massa achter deze Collectie? Als de politiek het belangrijk vindt. Hoe kan de politiek het weer belangrijk gaan vinden? Als de ondernemers en de massa het belangrijk vinden. Hoe krijg je ondernemers en massa als slagkracht achter de collectie? Door ze iets te geven. Maar je geeft ze toch de beelden? Jawel, maar die zijn onzichtbaar. Dan maak je ze toch zichtbaar? Ja maar dat kunnen alleen de ondernemers en de massa, die kunnen de beelden een stem geven.
Moet SIR nog harder schreeuwen? Of moeten we de kunst en publiek ruimte opnieuw in elkaar zetten? Bijvoorbeeld: men kan geen permanente statische beelden meer waarnemen. De beelden moeten dus interactief worden; de beelden worden zitplaats; de beelden worden lantaarnpalen. Samengebald, alle kunstwerken waar je op kan zitten zijn goede beelden. Ook fotogenieke beelden zijn goede beelden.
We moeten zorgen dat er regelmatig iets met ze gebeurt, ze krimpen in, dijen uit, veranderen van kleur en van plaats, we gaan ze hergebruiken en opnieuw vullen met betekenis. We ruilen de Gabo met het Dam monument, wij krijgen de Bernini ’s van Rome zij onze Picasso. We verkopen onze De Kooning en hebben geld voor internationale manifestaties in de stad. Of we sparen en verwerven eenmaal in de 20 jaar een spektakel á la de watervallen of de ondergaande zon van Olafur Eliasson.
Het spel kan beginnen.