Schouwploeg #3

Schouwploeg #3 vond plaats in het oude Lantaarn/Venster: thans De Gouvernestraat. Deze aflevering was een publiek café met vele voordrachten van diverse experts: Lisette Smits, Ronald Motta, Alexander Ramselaar, Gilbert van Drunen, Edith Gruson, André Dekker, Dees Linders. Het onderwerp voor deze avond was het schetsen van een utopie m.b.t. de toekomst voor kunst en de publieke ruimte (Rotterdam) vanuit (kunst)historisch, politiek, financieel perspectief en vooral particulier perspectief.

De intentie van de SCHOUWPLOEG die een jaar geleden startte is om meer mensen te betrekken bij het denken over de betekenis en (on)mogelijkheden van kunst en de publieke ruimte, met de focus op Rotterdam. Deze discipline van de beeldende kunst is wellicht meer verbonden aan de stedenbouw/publieke ruimte dan aan de kunstwereld, ze is van de straat, ze heeft haar eigen perceptie, betekenisgeving en wetten, en ontsnapt aan de serieuze aandacht van critici, onderzoekers en beleidsmakers in de kunst én de stedenbouw.

Hoewel de expansie van projecten kunst in de publieke ruimte én van de publicaties over kunst en engagement enorm zijn, blijft deze tak van de kunst een marginaal en vaak onprofessioneel bestaan leiden. En dat terwijl de kunst juist de laatste jaren toont dat ze in relatie met de stad fascinerende vormen kan ontwikkelen die impact hebben.

Maar er is hoop: de symposia, conferenties en startende onderzoeken schieten als paddenstoelen uit de grond:

Onze collega’s van BKOR (Beeldende Kunst Openbare Ruimte) en TENT organiseren op 7 juni het symposium Less is More, More Or Less, n.a.v. het ontzamelingsplan van BKOR.

SIR’s Schouwploeg

Met de SCHOUWPLOEG wil SIR zoveel mogelijk mensen betrekken bij het denken over de functies van de kunst en kunstenaar, overheid en private sector in de publieke ruimte, nu en in de toekomst en in het bijzonder in Rotterdam. Sessie na sessie ontrafelen we alle facetten die van invloed zijn. De Schouwploeg bestaat inmiddels uit een vaste kern en daarnaast incidentele deelnemers: kunstenaars, kunsthistorici, geïnteresseerd publiek, stedenbouwers, politici, vormgevers, denkers e.a. Er wordt zoveel mogelijk gewerkt vanuit casus uit de praktijk. De kunst en de publieke ruimte op internationale schaal  komt ook aan bod, veelal in relatie met de Rotterdamse situatie. De vorm van dit onderzoek verschilt per sessie en wordt ontwikkeld op basis van de resultaten van voorgaande sessies. Alles is mogelijk: voordrachten, discussie, praat-eetcafé, workshops, pamfletten en publicaties. De redactie van de Schouwploeg bestaat uit: Dees Linders (hoofd SIR), André Dekker (kunstenaar, partner Observatorium) en Piet de Jonge (tentoonstellingsmaker).

De redenen voor SIR voor dit onderzoek zijn legio: deze discipline van de beeldende kunst is wellicht meer verbonden aan de stedenbouw/publieke ruimte dan aan de kunstwereld, ze is van de straat en heeft geen podium,  ze heeft haar eigen methodes, perceptie, betekenisgeving en wetten en ontsnapt veelal aan de aandacht van critici, onderzoekers en beleidsmakers in de kunst én de stedenbouw.

Hoewel de expansie van projecten  kunst in de publieke ruimte én van de publicaties over kunst en engagement enorm zijn, blijft deze tak van de kunst een marginaal bestaan leiden. Zij kan zonder slag of stoot van de discussietafel geveegd worden. Zie onder meer het recente opheffen van SKOR, het bureau dat een voorbeeldfunctie vervulde in het ontwikkelen van nieuwe vormen van ‘relationele kunst’ (ofwel kunst in opdracht) en de radicale intrekking van financiële steun voor SIR door de gemeente Rotterdam. En dat terwijl de kunst juist de laatste jaren toont dat ze in relatie met de stad fascinerende vormen kan ontwikkelen die betekenisvol zijn en impact hebben. Een voorbeeld van een vrijmoedig denken over kunst en publieke ruimte dat resulteerde in een andersoortig kunstwerk voor de publieke ruimte is It’s Never Too Late To Say Sorry, sculptuur én dagelijkse performance ineen van de hand van Elmgreen en Dragset. Dit kunstwerk functioneert en fascineert nu al anderhalf jaar op de Coolsingel Rotterdam. (zie filmpje op www.sculptureinternationalrotterdam.nl)

SIR en BKOR
Rotterdam heeft al sinds de jaren vijftig een tweekoppig beleid voor de kunst en de publieke ruimte. Met de groei van Sculpture International Rotterdam (SIR) van een incidentele adviescommissie naar een permanente organisatie die naast Collectie beheer en uitbreiding ook op de hoofdlijnen van de stad  programmeert vanaf  2006 , werd deze tweekoppigheid tot expliciet beleid gemaakt. SIR is verantwoordelijk voor het internationale beleid en de afdeling Beeldende Kunst Openbare Ruimte (BKOR) van het Centrum Beeldende Kunst (CBK) Rotterdam ontwikkelt op aanvraag van instanties, kunstwerken en projecten voor de wijken veelal op basis van bewonersparticipatie.

Vanaf 1 januari 2013 is SIR een afdeling van het Centrum Beeldende Kunst zodat SIR en BKOR de krachten ten behoeve van kunst en de publieke ruimte kunnen versterken.

www.sculptureinternationalrotterdam.nl

Verslag Schouwploeg #2

Verslag van SCHOUWPLOEG  Sessie#2

Voor Sessie #2, december 2012, nodigde de redactie Hans Venhuizen uit om de sessie te leiden en mee vorm te geven.  Het door Venhuizen ontworpen debatspel  ‘’ The Making Of” werd ingezet voor het onderzoek van SIR met betrekking tot de stand van zaken en de mogelijke toekomst van de kunst en de Internationale Beeldencollectie Rotterdam (Sculpture International Rotterdam).

De inzet van de bijeenkomst was een aantal hoofdvragen die een rol spelen in het werkveld van SIR. In haar openingsvoordracht legde Dees Linders visie en vraagstellingen op tafel vanuit haar ervaringen met onder meer SIR, doorgetrokken naar de dilemma’s van de kunst en de publieke ruimte algemeen. Deze vraagstukken zijn door Hans Venhuizen bewerkt en in de vorm van vier hoofdvragen ingezet in het debatspel “The Making of”.

Aantal deelnemers  26.

Voordracht Dees Linders tijdens Schouwploeg #2

Voordracht Dees Linders

Het bergingsbedrijf Mammoet, bergers van de Russische Koersk, verslepen i.s.m. het bedrijf VOORBIJ de muur van Moore naar zijn rustplaats. Een actuele gebeurtenis verbindt zich aan een wereldberoemd kunstwerk dat meer dan 50 jaar op dezelfde plek stond en de mensen en de media stromen toe. Op het moment dat de muur voor vier jaar ondergronds gaat zien velen dit werk voor het eerst van dichtbij. Men betreurt dat wat men te zien krijgt niet eerder zag. Pas nu, bij het afscheid, ziet men de kleurrijkheid van de bakstenen en het patroon van de voegen  – de lichte deining van de muur– de kalme tragiek van de voorstelling – het amalgaam van de wederopbouwtaal. Dit deel van het Bouwcentrum, ooit model van een fascinerend wederopbouwpand waar Wall Relief No. 1 deel van was, is reeds tot gort geslagen. Op de achtergrond ziet u de wolkenkrabbers van het Weena en de bouw van het nieuwe CS.

Er was eens een reusachtige Collectie internationale kunstwerken in de stad Rotterdam die zijns gelijke niet kende in de westerse wereld. De stad verkocht haar aan de stad Amsterdam die dit gretig aanvaardde.  Zo kon de stad Rotterdam de bouwputten, de marathons, de formule 1 races, het carnaval, de dance parade, de sportstad  behouden als logo van Rotterdam. Het paste hen zoveel beter.

SIR beleeft met het verslepen van de Moore naar de opslag haar laatste uren. Dit is wat pathetisch want we weten niet hoe het af gaat lopen; des te gevaarlijker dus – een sluipmoord op de topcollectie!,  met aan de basis werelderfgoed als Jan Gat van Zadkine, de muur van Moore, Het DING van Naum Gabo, Erasmus van Hendrick de Keijser;  reizigers in de 17de en 18de eeuw die de stad aandeden zouden nooit en te nimmer vergeten even langs te gaan.

Hoe is het mogelijk dat Rotterdam, een kunst-onverschillige stad, zo’n reuzencollectie moderne en hedendaagse kunst heeft? Of beter misschien: hoe is het mogelijk dat zo’n reuzen-straat-collectie , 24 uur per dag te zien bij nacht en ontij, zo’n stad om zich heen heeft ontwikkeld?  Hoe is het mogelijk dat het stadsbestuur als eigenaar van deze collectie hier niet langer voor verantwoordelijk wil zijn?

Een paar feiten: van de € 600.000,- die SIR gemiddeld jaarlijks ontving van BenW blijft in het gunstigste geval

€ 200.000,- per jaar over. In het slechtste geval (als we zelf de verzekeringen en het onderhoud moeten opbrengen) beginnen we per januari 2014 op min nul €. Daarbij nam het stadsbestuur een democratisch besluit; SIR – de collectie, het bureau plus de adviescommissie komt onder het Centrum Beeldende Kunst (CBK). De collega’s van de afdeling kunst en openbare ruimte van het CBK  (BKOR) zorgen voor zo’n 600 andere kunstwerken die  met name door Rotterdamse kunstenaars zijn gemaakt; een rijke Rotterdamse historie die aanvangt bij de wederopbouw.  We zetten we in op vergroting van slagkracht gaan de dreigende nivellering te lijf.

Daarnaast zijn er de ‘gebruikelijke dilemma’s van de kunst en de publieke ruimte. Hoogste tijd dus voor het schouwen van deze vraagstukken. Uw kennis en denkvermogen brengen we bij elkaar in de SCHOUWPLOEG om de meest prangende vragen van de kunst en publieke ruimte onder de loep te nemen, met als model voorlopig Rotterdam en vandaag met name SIR. In de redactie André Dekker en Piet de Jonge, hier aanwezig.

SIR: een korte historie.  Mijn naam is Dees Linders , sinds ruim zes jaar samen met de adviescommissie en mijn team verantwoordelijk voor beheer en ontwikkeling van de Internationale Beelden Collectie van Rotterdam. De IBC doopten we snel om tot SIR – in kapitalen zodat de stad zou beseffen dat ze een kapitale schat in huis hebben. Op dit moment bestaat de Collectie uit 51 stukken die vooral in de binnenstad staan. Sinds vier jaar opereert SIR in de gehele stad, en wel op de hoofdlijnen van de stad. In 1945was er nog geen beeld te zien in de publieke ruimte  –  tien jaar later was Nederland ondergesneeuwd met sculpturen waaronder vooral veel obligate herinneringszuilen – en met activistische beeldhouwers die vóór of tegen de traditionalisten of de modernen vochten. Voor de kunst van de stad Rotterdam pakte dit bijzonder uit: uit het puin te midden waarvan architecten en kunstenaars werkten,  verrezen eigen aardige  symbolen en grootse gebaren. Breuer, Elias, van Ravensteyn, Zadkine, Moore, Gabo, Boks, Maaskant – ze liepen allemaal rond in de stad die jaren. De ondernemerswereld en met name de directeur van de Bijenkorf en de directeur van het Bouwcentrum waren in de jaren vijftig  belangrijke spelers in het politieke en culturele veld van Rotterdam, verbonden aan museumdirecteuren en verzamelaars en aan het stadsbestuur. Zij hadden het inzicht om sterke symbolen te laten ontwikkelen en bovendien het gezag om die symbolen (van hogerhand) geldige betekenis te geven voor  de bewoners:  collectieve troost, collectief leed, collectief mouwen opstropen. Zo verwierf Rotterdam drie fascinerende kunstwerken waarop de stad in de loop der jaren deze bijzondere Collectie kon ontwikkelen. In de jaren zestig – onder de indruk van dit staaltje moderniteit van de ondernemers – besloot het stadsbestuur hier beleid op te maken: Het fonds Stadsverfraaiing werd opgericht. Vanaf dat moment werden er om de zoveel jaar adviescommissies ingericht met als taak de immer innovatieve stad met gedurfde kunstwerken te schragen.  De stand van zaken nu: het stadsbestuur geeft de verantwoordelijkheid uit handen. Maar we hebben ook iets gewonnen: SIR is geen adviescommissie meer die verschijnt en verdwijnt, maar een  organisatie (piepklein) die behalve beheer en ontwikkeling van nieuwe werken en programma’s de kennisoverdracht tot serieuze taak op zich nam. De afgelopen 5 jaar is er alles aangedaan om de grootse maar onbekende collectie weer tot leven te brengen. Dit vergt continue aandacht en zorg.

De fraaie twee koppigheid van de stad 

Naast de 51 stukken van SIR heeft het Centrum Beelden Kunst het beheer over nog eens 600 werken in de openbare ruimte;  de (BKOR) Beeldende Kunst Openbare Ruimte waar mijn collega Siebe Thissen sinds twaalf jaar de leiding heeft en dat een platform is voor Rotterdamse kunstenaars en voor wensen vanuit de bewoners, deelgemeentes, woningbouwverenigingen. Deze tweekoppigheid maakte mijns inziens het interessante beleid van Rotterdam mogelijk. De twee legitimeren elkaar; de zorg voor kunst in de wijken op vraag van bewoners en expliciet voor en met de bewoners, naast de projecten met internationaal gerenommeerde kunstenaars op de hoofdlijnen die op initiatief van SIR en Stadsontwikkeling ontwikkeld worden, niet als antwoord op een vraag.  SIR en BKOR hebben elk een eigen werkwijze; een andere methodiek, een andere geldstroom, een andere deskundigheid, een ander publiek, en vergen een andersoortige kennisoverdracht.  De ene pool legitimeert de andere; het gaat nadrukkelijk niet om of – of , maar om toegankelijke naast complexe werken,   schuilplaatsen, vindplaatsen en entertainment.

Kunstwerken zijn onzichtbaar  -  Vervreemding en treurnis hoort niet op straat.

Terug naar de dilemma’s inherent aan kunst en de publieke ruimte die we met u hier op tafel leggen. Wat mij betreft zijn deze samen te vatten onder de stellingnames  ‘kunstwerken zijn onzichtbaar’ en ‘vervreemding  hoort niet op straat’.

Onzichtbare werken:  Krap vijf jaar probeer je i.o.v. de stad op de borstkas van de stad te roffelen – zo vaak en zo luid dat het gênant is. Eindelijk is er dan zoveel trilling veroorzaakt dat de stad begint te echoën  – en dan is er plotsklaps een vormfout – tijdgebrek, een kwade genius? – de  kunst en publieke ruimte blijkt vergeten in de rapporten. “Maar” zegt men “de werken zijn er toch gewoon?”.  Is dat zo?

Enkele jaren geen nieuwe kunstwerken ontwikkelen vind ik een goed idee, gedacht vanuit de urgentie om tijd te nemen voor onderzoek en kennisoverdracht van kunst en de publieke ruimte. Een essentieel deel van het onderhoud is kennisoverdracht. De Collectie die eindelijk weer tot leven kwam moet gevoed blijven worden met aandacht. Zonder verleiders en geleiders is er geen topcollectie, en zijn er geen kunstwerken. Hoe erg is dat? De meeste kunstwerken ziet men niet. Santa wel, want op Santa kun je zitten en Santa is fotogeniek. Joep van Lieshout’s Cascade ook, want je kan er op zitten en het ding is daarmee fotogeniek.  De Reus van Rotterdam van Herman Lamers ook: je kan naast de reus gaan zitten in zijn kamertje en jezelf met de reus portretteren. Fascinerende verschijnselen van de kunst en de publieke ruimte.

Daarbij nog wat: de rekkelijkheid van betekenis van de kunst in de publieke ruimte. Alles kan alles betekenen.  De betekenis lijkt geheel losgekoppeld van wat er te zien is. Bijvoorbeeld; er staat een grote zwarte Kerstman met attributen die veel te zwaar zijn voor hem. Hij torst ballast, hij torst het lijden van de hedendaagse mens. Santa is een model van depressie en in die zin van reuzenbelang. Wat velen zien is een rode lachende Kerstman.  Cascade van Joep van Lieshout; een aandachtszuil opgebouwd van leegstromende olievaten en van olie doordrenkte stervende figuren. Men ziet dansende poppetjes. De enkeling, die een omweg maakt om deze werken te vermijden, de enkeling die de luiken dichthoudt om de treurende Santa  niet te zien, zijn degenen die dichtbij de intentie van het werk komen.

Dit brengt ons bij de vervreemding:  vervreemding en ontheemding zijn de eigenschappen van de moderne en de hedendaagse kunst en eigen aan de hedendaagse mens. Geen ontsnappen mogelijk. Maar wie houdt ervan dit op straat tegen te komen terwijl je daar met je boodschappentas loopt? De deur naar een andere wereld;  degenen die het spel van de kunst met de paplepel ingegoten kregen weten dat je meestal wel weer terugkomt en  geven veel om die duik in een ander perspectief.

Maar waarom vervreemding of treurigheid op straat?

SLOT: Hoe verder? Moeten we verder? Hoeveel kunstwerken kan een stad verdragen?  Als we eerlijk pogen na te denken;  is  publieke urgentie voor de kunst mogelijk?  Is het noodzakelijk om Picasso, Elmgreen en Dragset, Franz West te zien?  Hoe krijg je massa achter deze Collectie? Als de politiek het belangrijk vindt. Hoe kan de politiek het weer belangrijk gaan vinden? Als de ondernemers en de massa het belangrijk vinden. Hoe krijg je ondernemers en massa als slagkracht achter de collectie? Door ze iets te geven. Maar je geeft ze toch de beelden?  Jawel, maar die zijn onzichtbaar. Dan maak je ze toch zichtbaar? Ja maar dat kunnen alleen de ondernemers en de massa, die kunnen de beelden een stem  geven.

Moet SIR nog harder schreeuwen? Of moeten we de kunst en publiek ruimte opnieuw in elkaar zetten? Bijvoorbeeld:  men kan geen  permanente statische beelden meer waarnemen. De beelden moeten dus interactief worden; de beelden worden zitplaats; de beelden worden lantaarnpalen. Samengebald,  alle kunstwerken waar je op kan zitten zijn goede beelden. Ook fotogenieke beelden zijn goede beelden.

We moeten zorgen dat er regelmatig iets met ze gebeurt, ze krimpen in, dijen uit, veranderen van kleur en van plaats, we gaan ze hergebruiken en opnieuw vullen met betekenis. We ruilen de Gabo met het Dam monument, wij krijgen de Bernini ’s van Rome zij onze Picasso.  We verkopen onze De Kooning en hebben geld voor internationale manifestaties in de stad. Of we sparen en verwerven eenmaal in de 20 jaar een spektakel á la de watervallen of de ondergaande zon van Olafur Eliasson.

Het spel kan beginnen.

De hoofdvragen in ´The Making of, opgesteld door Hans Venhuizen

Vraag1 – Wat maak je?
Waar is deze beeldencollectie eigenlijk voor en voor wie en voor wat. Gaat het om de kunst of gaat het om de stad en waar en op welke manier ontmoeten die twee elkaar. Of hoeven die twee elkaar helemaal niet te ontmoeten omdat ze niks met elkaar te maken hebben.

ENERZIJDS – Het gaat enkel om de artistieke kwaliteit
De Internationale beeldencollectie moet enkel streven naar de totstandkoming van de hoogst mogelijke artistieke kwaliteit. Een goed curator nodigt de allerbeste internationale kunstenaars uit om voor de Rotterdamse situatie een kunstwerk te maken. Wanneer die worden gerealiseerd ontstaat er misschien weerstand. Maar na verloop van tijd openbaren de werkelijke inhoud, betekenis en kwaliteit zich als vanzelf aan een groot publiek. Goede kunst mag in het begin best een beetje elitair zijn uiteindelijk zal ze toch wel voor iedereen landen wanneer ze het begrijpen.

ANDERZIJDS – Als het maar fotogeniek is en je er op kunt zitten
De kunstwerken worden weliswaar vanuit de kunst geïnitieerd maar dienen na de plaatsing vooral de stad, haar belevings-waarde en de internationale uitstraling. Fotogenieke werken zijn altijd populair ongeacht hun kwaliteit. Dus moet dat populaire, dat fotogenieke en de gebruikswaarde doordat je er bijvoorbeeld op kunt zitten of doordat je het goed als tot de verbeelding sprekende foto achtergrond kunt gebruiken, ook centraal staan in de opdrachtverstrekking aan de kunstenaar.

Vraag 2 – Wat heb je?
Er is jaren hard gewerkt aan de collectie die verspreid over de binnenstad staat. Door zowel kunstkenners als kunstverkopers wordt de waarde van de beelden hoog ingeschaald. Maar is die waarde waard wanneer je een flink deel van je sterk verkleinde budget moet uitgeven aan verzekeringen voor de bestaande kunstwerken. Dat vraagt om een radicaal nieuwe stellingname ten opzichte van wat je met de collectie kunt doen.

ENERZIJDS – Je moet ook geen museumpje willen spelen in de publieke ruimte
Waardevolle en kwetsbare kunstwerken plaatsen verspreid over de publieke ruimte van de binnenstad van Rotterdam is vragen om problemen. Beheer onderhoud, vernieling en verzekering denderen dan over je heen om maar een paar alledaagse en praktische aspecten te noemen die je volledige budget op gaan slurpen. Je moet dat niet willen op deze manier. Breng de beelden onder in een beschermde ruimte, in een museum, een gesloten beeldenpark of desnoods een goed te bewaken stuk van de binnenstad van Rotterdam. Dan kun je de collectie beter koesteren, haar waarde beter tot zijn recht laten komen en het zorgvuldig en stap voor stap uitbreiden.

ANDERZIJDS – Je moet de collectie voor je laten werken en geld verdienen
De collectie is een levend ding en zeker niet statisch. De Collectie mag  gebruikt worden als achtergrond voor een ideële of commerciële campagne bijvoorbeeld. Er mag ook best gehandeld worden met de kunstwerken. Met de opbrengst van de ene kun je de andere opknappen, verzekeren of aankopen. Op deze manier komt er beweging en leven in de collectie en dat is goed voor de kwaliteit. Geef ook eens wat stukken in bruikleen. Daar veroorzaak je nieuwe relaties en status mee en het levert ook nog geld op.

Vraag 3 – Hoe maak je het?
Het belang van de collectie wordt niet meer door iedereen als urgent gezien. De politiek trekt haar handen er voorlopig van af. Wie geschoren wordt moet stilzitten luidt het spreekwoord maar is dat wel het meest verstandige om te doen in deze situatie. Hoe kun je je handelingsstrategie opnieuw met je ambities verbinden.

ENERZIJDS - Leg op indringende wijze het belang van de collectie nog eens uit
PR/kennisoverdracht en educatie zijn een belangrijke taak van SIR. In deze tijd van ‘cultuurbashing’ en economische crisis wordt het belang van de beeldencollectie echter door veel beslissingnemende mensen niet erkend. Daarom moet de beeldencollectie zich verder uitputten in de voorlichting over de kwaliteit en het belang van de kunstwerken in de stad. Alle energie moet gaan in het voor het voetlicht brengen van die bijzondere collectie. Gaandeweg zullen dan ook bestuurders en politici het belang er weer van in gaan zien. Op deze manier slepen we de collectie door de crisis op weg naar een betere toekomst.

ANDERZIJDS – Betrek nieuwe dragers voor de collectie, laat ze je beleid mee bepalen
De financiële positie van de collectie zoals die in het verleden was is voorgoed voorbij en komt ook nooit meer terug. Wil de collectie overleven dan zal ze nieuwe financiële partners moeten zien te vinden. Het bedrijfsleven moet worden betrokken door duidelijk het belang van de collectie voor de uitstraling van de stad te laten zien. Wanneer je het bedrijfsleven als medefinancier weet te winnen zul je ook je beleid, je keuzes, je PR en je positionering in de stad drastisch moeten wijzigen. Je nieuwe financiële partners moeten in je toekomstige beleid een grote rol gaan spelen en meepraten over de keuzes die je maakt. Je zult er voor moeten zorgen dat de partners niet alleen bijdragen aan de realisatie van de kunstwerken maar dat die kunstwerken ook gaan bijdragen aan de activiteiten van de partners zelf.

Vraag 4 – Wat ga je nou eigenlijk doen?
Stilstand is achteruitgang vind men in de economie. Maar heb je zo veel andere mogelijkheden met geminimaliseerde budgetten en een grote beheersopgave voor het bestaande werk.

ENERZIJDS – Hou je kalm
Werk in de luwte van deze slechte culturele tijden aan het instandhouden van je collectie. Zorgvuldige bescheidenheid is de beste positionering. Lobby vooral achter de schermen, kijk wat je kunt redden en beheer zo goed en zuinig mogelijk alles wat je hebt. Er komen betere tijden.

ANDERZIJDS – Zet in op het tijdelijke
Omdat stilstand voor een beeldencollectie hetzelfde is als doodgaan is de aanval de beste verdediging. Zet al je kracht in voor de totstandkoming van een meerjaarlijkse grootse maar tijdelijke tentoonstelling met een (afgeslankte) beeldencollectie als basis. Maak de kunstwerken in de stad tot een regelmatig terugkerend event met alle PR voordelen daarvan. De realisatie van een of meer spectaculaire werken zal zeker het toerisme naar Rotterdam bevorderen. We kennen Münster als sculpturenstad terwijl de tentoonstelling maar eens in de tien jaar plaatsvindt. Creëer momentum met een festival waardoor je kunt experimenteren, meer effect hebt van je inspanningen en je de beste tijdelijke werken later weer in je permanente collectie kunt opnemen. Door je te richten op tijdelijke events kun je alles uit de kast halen om subsidies en sponsors te trekken. Spaar je jaarlijkse budget hiervoor op en verkoop desnoods een werk uit de vaste collectie voor de financiering.

Werkwijze
Deze vragen werden over vier teams verdeeld die ieder bestonden uit 6 deelnemers met diverse achtergronden.

De teams kregen een uur de tijd om de dilemma’s in de vraag te bespreken en tot een eenduidig voorstel te komen. Preciezer gezegd was hun opdracht: • Bespreek het dilemma in de vraag • Formuleer een uitgesproken standpunt • Presenteer dat standpunt als een autonoom voorstel • Geef het voorstel een titel en een slogan mee

Resultaat
Hier volgende de voorstellen die werden gedaan – de kritieken daarop van de andere teams – en de daaruit te destilleren aanbevelingen voor SIR:

OPHEF MAAKT MEERWAARDE

Kunst die vanuit haar eigen waarde wordt geplaatst en zich via provocatie een betekenis moet verwerven in de stad neemt haar publiek niet serieus.

Dit voorstel richtte zich op een ‘klassieke’ rol voor de kunst in de gebouwde omgeving. Een kunst die niet voor de massa’s hoeft te zijn en gerust een elitair karakter mag hebben. De betekenis daarvan voor de stad ontstaat juist vanuit de ophef die plaatsing kan veroorzaken. Deze ophef vanuit onbegrip voor de kunst veroorzaakt op haar beurt bekendheid, vertrouwdheid en daarmee acceptatie van de kunstwerken in de stad.

In het debat werd dit voorstel genadeloos af geserveerd als ‘achterhaald’ en ‘old-school’. Een maximaal aantal bezwaren werd tegen het voorstel ingediend. De bezwaren kwamen vooral neer op een afwijzing van de rol van ‘het publiek’ die uit deze benadering spreekt. Het publiek lijkt er vooral te zijn om geprovoceerd via een omweg de waarde van de kunst te bevestigen. Daarmee worden dat publiek en haar kwaliteiten volstrekt onderschat en niet serieus genomen. Deze benadering, die vanuit de waarde van de kunst zelf als relevantie voor de stad wordt gemotiveerd, past niet meer in deze tijd volgens een meerderheid van de aanwezigen.

ZIEL VAN DE STAD

Leg niet uit wat goede kunst is maar hoe je er de ziel van de stad van af kunt lezen.

Kunst in de gebouwde omgeving moet in de overdracht helemaal niet in de eerste plaats over de kunst gaan maar veel meer over het collectieve geheugen van de stad. De beelden in de stad vertellen de verhalen van de stad. Verhalen over toen en nu en mij en jou. Daarmee zijn het de belangrijkste en meest zichtbare vertegenwoordigers van de ziel van de stad. SIR zou daar volledig op in moeten zetten. SIR kan via de kunstwerken de geschiedenis van de stad ontsluiten. Nu, meent men dat deze rol voor de collectie onbenut is. De collectie kan tevens vertellen wat er niet is. In die rol zit de toekomstige betekenis van de internationale beeldencollectie. SIR kan zich veel sterker profileren als de verbeelder van de ziel van de stad en zorgdragen voor het zichtbaar maken van de verhalen van de stad. Leg niet uit wat goede kunst is maar hoe goed je er de ziel van de stad van af kunt lezen. Op deze manier kun je nieuwe relaties tussen de stad en haar inwoners leggen. En ga bij het zichtbaar maken van de verhalen van de stad de actualiteit zeker niet uit de weg.

CROWDADOPTIE

De beeldencollectie hoort collectief te zijn en het onderhoud daarvan is een teken van beschaving.

Het model van kunst in de stad volledig door de overheid gefinancierd is door de actuele ontwikkelingen buiten werking gesteld. Het heeft geen zin op een heropleving van dat model te wachten. Het gebrek aan overheidsondersteuning betekent feitelijk de start van een nieuw model en een nieuwe functie en betekenis voor de collectie. Door de kunstwerken te laten adopteren door bedrijven en bewoners ontstaat een nieuwe en daadwerkelijke betrokkenheid bij de beelden. Al was het alleen maar omdat ze af en toe moeten worden opgepoetst. Op deze manier kun je de collectie verkopen terwijl ze feitelijk deel uit blijft maken van de stad. Door te streven naar een nieuwe community rond de kunstwerken raken deze beter geworteld in de stad. De Rotterdamse beeldencollectie behoort collectief te zijn en veroorzaakt zo onderhoud dat je als een sterk teken van beschaving kunt lezen.

LEVENDE COLLECTIE

Je mag beelden best verkopen, verhuren of verplaatsen. Door hun afwezigheid maken ze het publiek pas echt van hun waarde bewust.

Een collectie hoort geen ‘dode’ verzameling van in het verleden vergaarde kunstwerken te zijn. Een collectie leeft en sterft dus ook altijd een beetje. Je mag beelden best verkopen wanneer ze geen relevantie meer voor de stad hebben. Met het geld dat je verdient aan verkoop en verhuur kun je je collectie aanvullen en actualiseren. Bovendien merkt het publiek pas wat de beelden voor hun stad betekenen wanneer ze er niet meer zijn. Je kunt denken aan een strategie van voortdurende verplaatsing van werken door de stad (een schaakspel) of naar andere steden op reis sturen. Op deze manier leg je nieuwe relaties met andere steden en veroorzaak je aandacht en hernieuwde trots op de bestaande collectie.

Het nieuwe besef voor de collectie begint bij kinderen. Richt een groot programma onder schoolkinderen op over de collectie en pak daarbij verrassend uit met workshops en prijsvragen over het imiteren van de kunstwerken. ‘Klei zelf een van Lieshout’ zet de toon over een nieuwe rol voor de beeldencollectie die begint bij Generation-R. Het maken van tijdelijke nieuwe werken en herschikking van de context van de beelden in een festival zorgt voor extra zichtbaarheid.