Dissonanten van de publieke ruimte
Denkend aan de dissonant wordt het me zwaar te moede want alles wat ik tot dissonant neig te benoemen lijkt in tweede instantie toch mee – te – klinken met mijn manier van denken en kijken. In de muziek heeft de dissonant als begrip een omschreven betekenis. Het is een spanning die naar een oplossing streeft, de spanning bijvoorbeeld van twee tonen met een kleine toonafstand. In de andere kunsten en het leven bestaat het woord dissonant alleen overdrachtelijk en verliest het zijn precieze betekenis. Het wordt een persoonlijke zaak of een code van een groep. Laten we de dissonant frictie noemen.
De beeldende kunst (evenals de andere kunsten) kan al dik een eeuw niet meer zónder frictie. De kunst in de publieke ruimte is een geval apart en frictie wordt daar slechts mondjesmaat geleverd en getolereerd. Als de frictie zowel in de vorm en de inhoud van het werk als in de verhouding van het kunstwerk met de plek zit is dat het voortreffelijkst vind ik. Ik wil het hebben over fricties die er toe doen in leven en kunst, de gewenste fricties. De ongewenste fricties, de wanklanken, zijn talloos in kunst en leven, maar hier niet van waarde: nare mensen, slechte openbare ruimte, betekenisloze kunst in de publieke ruimte, clini-clowns, enz. De frictie is zacht – geen conflict met dodelijke wapens.
Wat zich tussen kunstwerk kijker-plek-maker afspeelt is zo complex dat het met niets anders te lijf gegaan kan worden dan met een grondige analyse van elk facet dat zich voordoet. De feiten, gedachten, emoties, verbindingen. Na zo’n haarkloverij kan iets wezenlijks gezegd worden over universeler verschijnselen van hedendaagse kunst en betekenis. De Zwitserse kunstenaar Remy Zaugg gebruikt een dergelijke persoonlijke benadering in het fascinerende en onmogelijke boek Die List der Unschuld (1982), een 300 pagina’s lange analyse van één werk van Donald Judd. Een column verdraagt die traagheid niet, desondanks wil ik hier een soortgelijke aanzet maken om de werking en functie van frictie in het leven en in de kunst in de publieke ruimte te achterhalen.
Lang lang geleden fietste ik (katholiek) met een vriendje (katholiek) door het landschap (katholiek) in het zuiden van Limburg. Het was een mooie dag, een lichte zon en een lichte bries. Alles was kalm, goed en wat soezerig. Op een driesprong stond ik oog in oog met een kruisbeeld. Ik barstte in snikken uit, diep en onwetend waar dit vandaan kwam. Alsof Zijn lijden om de mensheid gekristalliseerd was tot een melancholisch gas dat over het landschap blies. Het voorval beïnvloedde mijn denken, beangstigd en verrast dat het brein in staat is tot dergelijke (gecontroleerde) hallucinaties, veroorzaakt door een onverwachte verstoring.
Dertig jaar na mijn treffen met het Limburgse kruisbeeld overkwam me iets vergelijkbaars. Tien jaar geleden vond ik die uitvergrote kruising van Kerstman en tuinkabouter in Rotterdam, het roemruchte beeld Santa Claus van Paul McCarthy, een nogal beroerd beeld. Mijn hekel aan de Kerstman en kabouters speelde me daarbij parten: koude wezens in vergelijking met onze inheemse Sinterklaas. De zwart gepatineerde bronzen Kerstman had tijdelijk asiel op de binnenplaats van Museum Boijmans Van Beuningen. Toen ik er op een late avond voorbij liep en door de tralies van het hek onverwacht deze droevige massa zwart brons zag schrok ik. Ik ervoer – als uit het niets – een medelijden met de Kerstman die met zijn te zware attributen het lijden van de hedendaagse (immer shoppende) mens torste. Een melancholisch beeld – model bij uitstek van de actuele epidemie van depressie. In de publieke ruimte, een groots en gedurfd beeld.
Een fier zwart paard met een zwart geklede ruiter, een trots wit paard met een wit geklede ruiter liepen in tegengestelde richting het ring-park rond de oude stad Münster. Ergens op deze ring maakte ik vroeg in de avond mee dat zwart en wit elkaar naderden, rakelings langs elkaar heen schoven en weer uit elkaar dreven en verdwenen onder de bomen. Als vanuit het niets ordende de omgeving zich in zwart en wit. Voor de ruime etalage van de bruidswinkel met witte gewaden stond een vrouw te kijken. Ze was zelf in feestelijk wit gestoken met zwarte kousen en schoenen eronder. Even later kwam ik haar tegen op het zebrapad. De onverwachte spanning van zwart en langzaam naderend wit, de wereld die zich langzaam in tweeën splijt en het weer traag wegebben van de (schrijnende) tegenstelling was euforisch. (Begegnung Schwarz – Weiss, Reiner Ruthenbeck, Skulptur – Projekte Munster, 1997)
De frictie blaast je zo nu en dan van de sokken. Deze merkwaardige retourtjes ‘realiteit – onbekende bestemming’ zijn nauwelijks te beschrijven. Toch worden wij (de kunsten) geacht helder te maken aan de politiek, wat dat dan toch is wat de kunst vermag en waar dat dan toch goed voor is. Loop je daar met je boodschappentas in de Koopgoot en sta je plots en ongevraagd oog in oog met de frictie: ‘het onbekende’, ‘het leven’ – een wat andere vulling dan je boodschappentas. Een duik in een ander perspectief, zo nu en dan, is broodnodig voor een interessante publieke ruimte.
[fotocredit]DL
Never trust the road without friction, uit: Performance ICRC2012 van Toine Klaassen, Luchtsingel Test Site Rotterdam, 4 en 12 augustus 2012, SIR Zomerprogramma



